Op de rand

Het was zo’n avond in oktober waarop de warmte langzaam de kou ontmoet. De lucht hing vol met het laatste restje zon, en de terrassen glansden van de regen die eerder die dag was gevallen. Langs de straat hingen lampjes, zachtgeel en vriendelijk, alsof ze mensen wilden uitnodigen om nog even buiten te blijven.

Ze zaten tegenover elkaar aan een wankel tafeltje, met dampende glazen thee die in wolkjes omhoog kringelde. Zij lachte, niet uit beleefdheid, maar omdat ze zich oprecht op haar gemak voelde.
Hij keek, iets te lang misschien, maar met een rustige blik. Er was iets tussen hen wat ze allebei voelden, maar niet wilden benoemen alsof het te mooi was om te verstoren.

“Gek hè,” zei ze, terwijl ze met haar vingers langs het glas streek, “hoe makkelijk dit is.”

“Ja,” zei hij. “En juist daarom wil ik het niet moeilijk maken.”

Ze glimlachte. En in dat moment wist hij dat ze het begreep. De aantrekkingskracht hing in de lucht, subtiel en warm, zoals de geur van natte bladeren die zich vermengt met de eerste kou.

Ze praatten over werk, over mensen, over wat ze eigenlijk wilden van het leven. Er viel een stilte niet ongemakkelijk, maar vol. Hij merkte dat hij zich inhield. Niet omdat hij bang was, maar omdat hij wist dat sommige dingen mooier blijven als je ze niet dwingt.

Toch wel jammer, dacht hij, zo’n mooie vrouw met zo’n oprechte blik en die lach. Het soort vrouw dat de wereld lichter maakt zonder dat ze het zelf doorheeft.

Zij voelde het ook. Dat iets in haar naar hem toe trok, niet als een golf, maar als een trage ademhaling. Wat is er eigenlijk mis met een good guy? dacht ze. Altijd vallen we voor het ongrijpbare, het ingewikkelde, het onzekere. En ondertussen zit hier iemand die gewoon écht is.

Ze keek even naar hem. Hij ving haar blik op.
Er ging iets zachts door de lucht, iets wat niet uitgesproken hoefde te worden.

Toen de avond viel, werd het kouder. De wind streek langs hun gezichten, de straatlampen kleurden goud. De stad ademde langzaam uit.

“Mag ik iets zeggen zonder dat het alles verandert?” vroeg hij.

Ze knikte.

“Ik vind je leuk. Meer dan gewoon leuk. Maar ik hoef er niets mee, als dat betekent dat dit verdwijnt.”

Ze keek hem aan, lang, alsof ze het in zich opnam.
“Dat is precies wat ik ook voel,” zei ze. “Dat het er mag zijn. Zonder gedoe. Zonder moeten.”

Hij glimlachte.
“Dus geen drama?”

“Geen drama,” zei ze zacht, en tikte hem tegen zijn hand. “Gewoon echt.”

Ze bleven nog even staan, naast het terras, onder een rij kleine lichtjes die zacht wiegden in de wind.
De lucht was fris, maar niet koud genoeg om afscheid te forceren.

En zo lieten ze het zijn wat het was, een vriendschap met een kloppend hart,
aangeraakt door iets wat niet benoemd hoefde te worden.

Sommige verhalen hoeven niet te branden om warm te zijn. Sommige mensen hoef je niet te hebben om ze dicht bij je te voelen.

Het was geen liefdesverhaal, maar ook geen gewone vriendschap. Het was oktober waar warmte en kou elkaar raakten, en iets bleef gloeien, stil en echt.


Geplaatst

in

door

Tags: