Een Tikkeltje Te Kalm

Ze ontmoetten elkaar op een avond die nergens naartoe hoefde te gaan.

Selma had die ochtend nog tegen zichzelf gezegd dat ze klaar was met daten. De mensen, de verwachtingen, de kleine teleurstellingen die zich opstapelden tot iets wat op moedeloosheid leek. Even geen nieuwe verhalen meer. Geen nieuwe mannen met goed bedoelde complimenten en half afgemaakte zinnen.

En toen was daar Frans.

Niet op een app, niet via een vriendin, maar gewoon in het echt. Hij stond bij het raam van dat café waar zij was binnengelopen vanwege de wijnkaart, of misschien omdat ze niet naar huis wilde. Hij glimlachte toen hun blikken elkaar kruisten, zonder opdringerigheid, maar met iets zachts in zijn ogen. Alsof hij haar herkende. Alsof ze even mocht uitrusten.

Ze praatten. Hij luisterde. Zij lachte. En hoewel ze in de war was van haar eigen vrolijkheid, was het geen gespeelde versie van zichzelf. Geen masker. Ze was gewoon wie ze was klein, levendig, nieuwsgierig. En hij… hij leek dat aan te kunnen. Of te willen.

Frans vertelde later dat hij meteen door haar gegrepen was. Niet door hoe ze eruitzag al deed haar lange zwarte haar iets met hem maar door haar toon, haar tempo, de manier waarop ze ruimte nam zonder te eisen. Hij werkte als IT-consultant, moest soms naar het buitenland, had twee dochters van net geen twintig, en genoot sinds zijn scheiding van het leven alsof het hem eindelijk gegund was.

Ze gingen nog een paar keer uit. Niets serieus, niets wat je op sociale media zou zetten. Soms zagen ze elkaar een paar dagen achter elkaar, dan weer een week niet. Het voelde licht, maar iets begon te schuren. Voor Selma. Iets dat ze nog niet goed kon plaatsen.

Tot ze op een ochtend koffie dronk met Thomas.

Hij woonde niet ver bij haar vandaan. Ze kenden elkaar al langer, al konden ze nooit precies uitleggen hoe dat gegroeid was. Soms sprak ze hem dagen niet, dan weer appte hij haar na middernacht omdat hij niet kon slapen wegens een creatieve of filosofische bui. Ze vertelde hem over Frans, zoals ze dat vaker deed met mannen die bleven plakken.

“Frans is lief hoor,” zei ze.
Thomas keek op van zijn mok.
“Maar…?”
“Ik weet niet. Er is iets.” Ze haalde haar schouders op. “Misschien ligt het aan mij. Misschien wil ik gewoon kapot.”

Thomas glimlachte vaag, maar zei niets.

Het was diezelfde Thomas die later die dag haar portiek binnenstapte. Hij dacht niet na. Hij was op weg naar haar, zoals zo vaak. Alleen hoorde hij dit keer iets een dof, slepend geluid. Geen boor. Geen muziek. Een soort zagen.

De geur bereikte hem halverwege de trap. IJzerachtig. Een vleug van iets dat ooit warm was geweest.

Bovenaan brandde licht. De deur van het appartement stond open.

Toen hij de woonkamer binnenliep, zag hij haar. Hurkend. Kalm. Met plastic onder zich, een zaag naast haar, en een lichaam dat ooit Frans was.

Ze keek op.

“Ik was hem zo zat,” zei ze zacht. “Kun je me alsjeblieft helpen met opruimen?”

Het duurde een moment voor hij besefte dat hij knikte.
“Tuurlijk,” antwoordde hij.

Hij ging naast haar zitten, zijn gedachten op een afstand. “Selma…” begon hij uiteindelijk, “hoe lang ben je hier al mee bezig?”

Ze legde de zaag neer, veegde haar handen af aan een doek die al te veel had gezien. “Een tijdje,” zei ze.

Buiten klonk een hond. Een autodeur sloeg dicht. En in de verte sirenes. Langzaam aanzwellend. Dreigend en slepend als een golf die op het punt staat te breken.

Thomas keek op.
Selma niet.

“Dat is snel,” fluisterde hij.

Zij haalde haar schouders op. “Nee…” zei ze, zonder te knipperen. “Die sirenes zijn niet voor ons.”


Geplaatst

in

door

Tags:

Reacties

Geef een reactie