De jongens zaten op de bank. De oudste onderuitgezakt, telefoon in de hand. De jongste half liggend, ogen op de tv.
“Kijk eens, muis!” riep de oudste plots, zijn stem schel van verrassing.
De jongste keek op, volgde zijn blik. “Nee… volgens mij is er iets met zijn pootje.”
Tussen het vloerkleed en de kast strompelde het dier voort. Het achterpootje sleepte nutteloos over de grond, een donker spoor achterlatend. Zijn ademhaling ging snel, alsof hij elk moment kon instorten.
De deur zwaaide open. Vader kwam binnen. Hij keek eerst naar zijn zoons, toen naar het beestje. Geen enkele aarzeling.
Hij trok zijn slipper uit, liep langzaam dichterbij. Het rubber maakte een krakend geluid in zijn hand.
De eerste klap deed de muis kronkelen. De tweede brak het laatste restje beweging. De derde was overbodig, maar kwam toch.
Vader bleef even stilstaan, keek naar het stille hoopje op de grond, en glimlachte nauwelijks merkbaar. “Zo,” zei hij. “Opgelost.”
De jongste slikte hoorbaar. De oudste staarde naar de plek waar het beestje lag. Op de televisie lachten mensen, maar in de kamer hing alleen het geluid van hun eigen adem.