Al vanaf het moment dat ik de portiekdeur opende, hoorde ik het.
In eerste instantie dacht ik dat er ergens geklust werd een boormachine misschien, of een schuurapparaat.
Niets bijzonders. Maar hoe verder ik de trap op liep, hoe vreemder het werd.
Er hing een geur. Niet gewoon stof of oud hout, maar iets scherps, metaal achtigs. En daaronder… iets bedorven. Het deed me denken aan de dag dat de verpleegkundige vergat het slangetje dicht te knijpen tijdens mijn aderlating.
Niet reuze veel bloed, maar een plasje wel en genoeg om een geur achter te laten
die zich in je geheugen vast zet. Bloed dat net te lang aan
lucht is blootgesteld: koperachtig, zwaar, misselijkmakend.
Bovenaan de trap brandde licht. De deur van het appartement stond op een kier.
Geen beweging. Alleen dat ritmische, schurende geluid.
Geen gereedschap voor hout, daarvoor klonk het te langzaam. Te… bedachtzaam.
Ik liep verder. Mijn hart klopte traag maar stevig.
Alsof mijn hart het wist dat er iets niet klopte, maar mijn hoofd was er nog niet.
In de woonkamer stond Selma. Ze droeg haar haar in een staart, zoals altijd wanneer ze zich wilde concentreren.
Op de grond, omgeven door plastic en doeken, lag Frans. Tenminste, wat er van hem over was.
Selma keek op. Totaal niet geschrokken, niet betrapt.
Haar blik was helder, beheerst. Alsof ze net een boek had dichtgeslagen.
“Ik was hem zo zat,” zei ze kalm. Ze klonk bijna opgelucht.
“Kun je mij alsjeblieft helpen met opruimen?”
Even was er alleen stilte. En ik… ik knikte. “Tuurlijk,” zei ik.
Alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Geef een reactie